Over de bouw van het gemaal Cremer

Op 11 januari 1926 werd in de vergadering van het hoofdbestuur van het waterschap Oldambt uitvoerig gesproken over de hoge waterstand in het beheersgebied. De voorzitter opende de vergadering  als volgt: 

Mijne Heeren, weinig had het gescheeld of we hadden met de gewone tirade “hooge waterstanden kwamen in het afgeloopen jaar niet voor” kunnen beginnen. Slechts een veertien dagen scheidden ons nog van het nieuwe jaar toen over Nederland en omringende landen een watermassa werd uitgestort, zooals in de Bilt, sedert de oprichting niet werd geconstateerd. Toen daarbij aanhoudende ongunstige winden, soms stormen, een zeer hooge buitenwaterstand veroorzaakten, zoodat vrijwel niet afgestroomd kon worden, was in weinige dagen het maalpeil bereikt. En steeg zelfs het water tot zo’n hoogte in de boezemkanalen dat wij genoodzaakt waren maalverbod toe te passen.  In de hierop bijeengeroepen vergadering van het hoofdbestuur werd met algemeene  stemmen de genomen maatregel goedgekeurd, terwijl staande de vergadering werd besloten tot een tweede maalverbod. Een derde was gelukkig niet nodig. Gelukkig is het water nu zodanig gedaald, dat we weer zonder zorg zijn. Als men weet, dat in het Winschoterdiep met zijn 2 m. hooger peil, ondanks de sterke afstrooming, dat ook in het Reiderland met zijn veel hoogere  ligging het maalpeil werd bereikt, dan kan men zich voorstellen dat ook in Oldambt zorgvolle uren zijn doorgebracht door hen die voor een goede gang van zaken verantwoordelijk waren. Gelukkig waren onze kaden alle in goeden staat en hebben zij getoond wat zij kunnen verdragen. Geen enkel doorbraakje kwam voor.

Deze toestanden waren op zich niet nieuw. Al drie keer eerder werd door de toenmalige waterbouwkundigen gewezen op de slechte afwatering in het gebied. In 1845 adviseerde opzichter B. Cremer - de vader van de latere waterbouwkundige P.G. Cremer - het bestuur van het Termunterzijlvest een stoomwatermolen te bouwen in de Groote Polder en in de zeer natte jaren 1881/82 werd door Cremer - het Termunterzijlvest was inmiddels waterschap Oldambt geworden - een plan ingediend dat voorzag in de bouw van een stoomgemaal. Hoewel een aantal bestuursleden en ingelanden de voorstellen van Cremer sterk steunden, haalden beide plannen het niet. Men vond de kosten te hoog.

Echter, de problemen bleven. In 1915 - inmiddels was de eerste wereldoorlog uitgebroken - werd een nieuwe poging gedaan en kreeg P.G. Cremer, die zijn vader in 1888 was opgevolgd als waterbouwkundige, opdracht  de  bemalingsproblemen opnieuw te bestuderen en een oplossing aan te dragen. Wéér werd er een uitvoerig rapport gepresenteerd en wéér vond het bestuur de genoemde kosten buitensporig hoog. Besloten werd de zaak te laten rusten tot er weer normale toestanden zouden aanbreken. 

Maar voorstanders onder het bestuur en de ingelanden hielden de zaak voortdurend warm en bleven aandringen op verbetering van de afvoer van het overtollige water.

 

Terug naar de vergadering van 11 januari 1926. Bestuurslid Muntinga hield een vurig pleidooi voor de bouw van een gemaal te Termunterzijl. Hij stelde dat met betrekkelijk geringe kosten voor het hele Oldambt een veel beter waterbeheer kon worden verkregen. In de discussie die volgde bleek nog lang niet iedereen de voordelen van een nieuw gemaal in te zien, om over de kosten nog maar te zwijgen.  Het voorstel van Muntinga om nogmaals  een commissie in te stellen en onderzoek te laten verrichten naar het belang en de kosten van een boezembemaling te Termunterzijl of elders haalde het nipt met 14 stemmen voor, 13 tegen en 1 blanco stem. Er leek enigszins schot in de zaak te komen.

Een maand later was de samenstelling van de commissie geregeld. Zij bestond uit ir. Kooper, hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat in Groningen, ir. Wouda, hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat in Friesland en P.G. Cremer. In november 1927 werd een gedegen rapport gepresenteerd dat diezelfde maand nog in een bestuursvergadering werd behandeld. Maar….. wéér ging men niet tot uitvoering van het plan over. De voorzitter zei direct al tegen de boezembemaling te zijn. Acht andere bestuursleden waren die mening ook toegedaan. En na een felle discussie werd besloten het rapport terzijde te leggen. Men vond de kosten te hoog in verhouding tot de baten, vooral wegens de malaise in de landbouw. Tegen het plan verklaarden zich 9 stemmen, 2 stemmen waren vóór. Men was terug bij af.

In de eerste vergadering van het jaar 1928 was het de heer Mellema die terug kwam op de behandeling van het bemalingsrapport. Hij veegde de vloer aan met de standpunten van zijn medebestuursleden en aan het eind van zijn betoog zei hij: Ten slotte mijnheer de voorzitter kan ik mij er absoluut niet mee verenigen dat zo’n serieus stuk werk als dit rapport  eenvoudig naar de snippermand wordt verwezen, gezien ook de toestand van vandaag en hij bedoelde hiermee een zeer nat jaar. De voorzitter antwoordde kortaf dat over de kwestie bemaling niet opnieuw werd gediscussieerd, punt uit.

Een jaar later, op 7 januari 1929, stond de boezembemaling weer op de agenda van de bestuursvergadering, dit naar aanleiding van opnieuw buitengewoon veel regenval en een dijkdoorbraak in het gebied van het waterschap Emergo. Ook de hoge waterstand in het Winschoterdiep baarde ernstige zorgen. Op voorstel van voorzitter Waalkens werd met 8 stemmen voor en drie tegen besloten over te gaan tot boezembemaling op de wijze zoals eerder door Kooper, Wouda en Cremer was voorgesteld. Cremer kreeg opdracht het plan verder uit te werken. Opzichter Bolt werd aangetrokken om hem te assisteren.

Drie maanden later kon het uitgewerkte plan al in een bestuursvergadering worden behandeld.  Zonder hoofdelijke stemming werd besloten dat, indien de ingelanden het plan zouden ondersteunen, tot aanbesteding zou worden overgegaan.

Op 14 mei was de kogel dan eindelijk door de kerk. Met 3724 stemmen voor en 1686 stemmen tegen werd het plan aangenomen. Een dag later al werd de levering van de machines opgedragen aan Werkspoor. De aanbesteding van het gebouw vond plaats op 25 november. Het werk werd gegund aan de gebr. Van Balen te Oude Rijn.

Het verloop van de bouw en de financiering van het gemaal worden uitvoerig beschreven in de verslagen van de bestuursvergaderingen van het waterschap. Er waren grote problemen met de aanleg van de golfbreker. De bodem was te slap, zodat de aangebrachte grond weg schoof. De extra kosten liepen op tot ruim ƒ10.000 en men vond dat het werk maar langzaam vorderde.

In de vergadering van 3 maart 1930 werd op voorstel van voorzitter Waalkens besloten het nieuwe gemaal te vernoemen naar vader en zoon Cremer die samen meer dan 90 jaar bij het Termunterzijlvest en het waterschap Oldambt hebben gewerkt. De heer Cremer toonde zich zeer vereerd. Ook de voorgestelde tekst bij de ingang van het gebouw vond algemene instemming.De benoeming van sluiswachter Dik tot machinist had nogal wat voeten in de aarde. Kon hij een combinatie van de werkzaamheden wel aan? En hoe moest het dan met zijn bijbaantje als kassier bij de Boerenleenbank? Niet minder dan drie pagina’s in het notulenboek zijn eraan gewijd. Uiteindelijk werd de heer Dik benoemd tot machinist met 7 stemmen voor en drie tegen. Zijn jaarsalaris bedroeg ƒ 700, met een jaarlijkse verhoging van ƒ100.

Het was deze zelfde heer Dik die op 9 oktober 1931 de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat assisteerde om de machines en pompen in gebruik te stellen, opdat de aanwezigen zich ervan konden overtuigen dat de woorden boven de ingang van het gemaal geen loze woorden waren:

Wat onze zijlen niet vermogen,

Wordt door dit monster uitgespogen,

Dies  is de boezem steeds gepast,

Te bergen polderen overlast.

Zo besluiteloos als het bestuur was betreffende de verbetering van de afwatering in het Oldambt, zo resoluut was het wat betreft het archief van het waterschap. Regelmatig werd in de bestuursvergaderingen aangedrongen op de wenselijkheid van een kluis voor het archief. Er werd zelfs voorgesteld om in gemaal Cremer een gedeelte af te scheiden en te gebruiken als brandvrije kluis. Toen in 1930 villa De Jager in Nieuwolda werd aangekocht, vond men de bestemming als archiefbewaarplaats bijna belangrijker dan het huis als ambtswoning voor de waterbouwkundige. Het is mede aan het archiefbeleid van het waterschap Oldambt te danken dat wij thans nog beschikken over een schat aan gegevens over de geschiedenis van dit waterschap 

De hele bouw van dit gemaal werd op foto’s vastgelegd en deze foto’s zijn altijd goed bewaard. Later door het waterschap Eemszijlvest en nu liggen ze veilig opgeborgen in de archiefbewaarplaats van het waterschapsgebouw in Veendam. Een aantal van deze foto’s is samengevat in deze expositie. Het zijn afdrukken van de originele opnamen.

Afgelopen dinsdag nam ik afscheid van het waterschap Hunze en Aa’s en daarbij kreeg ik, zoals gebruikelijk bij een afscheid, een aantal geschenken. Maar het mooiste cadeau kreeg ik enkele weken voor mijn vertrek, toen ik hoorde dat ik deze expositie, die nu nog in bruikleen is, mag schenken aan het bestuur van dit gemaal. Ik ben dan ook ontzettend blij dat ik samen met onze dijkgraaf, Alfred van Hall,  vandaag deze tentoonstelling een permanente plaats mag geven, zodat ook op deze manier het verhaal van het gemaal Cremer wordt doorverteld.

Ida van Duinen

24 september 2011